|
Les 5 - Werken met String |
|||
|
Een string ( tekst ) kan opgebouwd worden uit verschillende stukjes tekst. Je moet het zien als een zin. Om de verschillende stukjes aan elkaar te zetten kan je het & teken of het + teken gebruiken. Voorbeeld : tekst = tekst1 + tekst2 of tekst = tekst1 & tekst2 Ik gebruik altijd het & teken. Dit is mij geleerd op een cursus en gebruik eigenlijk nooit meer de + We kunnen ook een stukje uit een stukje tekst halen. Dit doen we met de commando’s Mid$ Left$ en Right$ Voorbeeld 1: tekst = left$(“Hallo”,3) tekst krijgt de eerste 3 letters van de linkerkant van het woord Hallo tekst wordt dus “Hal” Voorbeeld 2: tekst = Mid$(“Dakje”,3,2) tekst krijgt vanaf de 3e letter 2 letters van de linkerkant van het woord Dakje tekst wordt dus “kj” want de 3e letter is de “k” en de volgende de “j” Voorbeeld 3: tekst = Right$(“Hallo”,4) tekst krijgt de eerste 4 letters van de rechterkant van het woord Hallo tekst wordt dus “allo”
De volgende handige functie is Instr() met instr kan je een bepaald stuukje tekst zoeken in een grote tekst. voorbeeld : instr(15, “dit is de zin waarin gezocht wordt”, “in”) De uitkomst is 19 Wat gebeurt hier. Vanaf letter 15 wordt gezocht naar de sting “in” en die wordt gevonden op posite 19. De functies Asc() Chr() Str() Met Asc() kan u de ascii waarde van een teken bepalen. Voorbeeld : a = Asc(“R”) Dit zal de waarde 82 teruggeven. Dus a = 82 Met Chr() kunt u een letter weergen met een bepaalde ascii waarde. Voorbeeld: a = Chr(82) Dit zal het karakter “R” teruggeven. Dus a = “R” Str() hebben we al besproken in voorgaande lessen. De functie Len() geeft de lengte van de string terug. Len(“Hallo”) geeft dus de waarde 5 terug. Veel succes met Les 6. |
|||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
copyright © 2000 - 2008 Majosoft |
|||
|
|
|||